terug

Grammatica van impact


Tussentijd, de tijd waarin het geleefde en doorvoelde zich kunnen ontvouwen
Tussentijd creëren betekent intervallen aanbrengen in de tijd, waarbij de tijd voelbaar wordt. Dit opent een geleefde en beleefde tijdservaring, die tegenover een chronologisch-calculeerbare tijd staat. Het vertragen van de tijd kan hierbij ingezet worden als een politieke act tegen de versnelling van de tijd(servaring). Tussentijd maakt ruimte voor verbeelding en reflectie mogelijk, en creëert ruimte voor spel en voor het ontpoppen van nieuwe en andere ideeën. Tussentijd creëren gaat ook om de tijd wendbaar te maken, opdat het momentum gegrepen kan worden.

Tussenruimte, de ruimte tussen de plooien in maakt vrijruimte mogelijk
Tussenruimte is een ruimte die zich tussen de plooien in ontvouwt. Het ontwikkelt zich tussen het fysieke en symbolische of virtuele, tussen het private en publieke, tussen ik en de Ander. Een tussenruimte is een ruimte waarbinnen de regels (van de samenleving) tussen haakjes worden geplaatst. Waar de focus komt te liggen op de activiteit zelf. Tussenruimte als een derde ruimte verbeeldt nieuwe interpretaties van relationaliteit en verbinding ten opzichte van anderen. Hoe je je verhoudt tot de ander kan zo herdacht worden. Een tussenruimte is daarom een symbolische ruimte die een nieuwe situatie opent.  

Gesitueerdheid, over site-betrokkenheid en het werk doen gronden
De plek waar het artistiek werk gemaakt wordt, geeft mee betekenis aan de kunstpraktijk. De resonantie van het werk en de ruimere praktijk wordt bepaald door de wijze waarop het werk gegrond is in de ruimte. Het artistiek en cultureel werk wordt gemaakt op een plek en is gedreven door een engagement voor de plek: er wordt niet enkel ‘in’ de plek, maar ook ‘met’ de plek gewerkt. Dit wil niet zeggen dat de betekenisgeving enkel resoneert in en op de plek, maar dat deze wel vanuit en doorheen de plek resoneert naar de omgeving en de wereld eromheen.

(Nieuw-)materieel bewustzijn over belichaamde ervaring en betekenisgeving
Hybride artistieke praktijken scheppen in de ervaring en beleving pas het eigenlijke en volledige werk. Dit wil zeggen dat het niet volstaat om het artistiek werk te beschouwen (als publieksdeelnemer of betrokkene), maar dat het belangrijk is om er ook in te stappen. Het werken met concrete, tastbare materialen ontwikkelt een materieel bewustzijn, namelijk een betrokkenheid van het lichaam en alle zintuigen. In artistieke praktijken gaat een krachtige werking uit van het lichamelijke en de tactiele aspecten van de kunstervaring. Een nieuw-materieel bewustzijn ontwikkelt zich als de dingen ook agency krijgen, en terugreageren of terugspreken. Hierbij treden verschillende mensen en groepen, maar ook een plek of gebouw in interactie met elkaar.

Rolfluïditeit, over het vloeibaar en deelbaar maken van rollen
Er zijn geen strikt of rigide afgebakende rollen in participatieve kunstpraktijken. Een collectief werk- of creatieproces maakt de rollen vloeibaar. Het gaat om rollen van deelnemers of participanten, spelers/medemakers en de ruimere groep betrokkenen. Deze rollen kunnen verschuiven gedurende het werkproces (incl. ook de rol van de verantwoordelijke). Op die manier kan er gedeelde verantwoordelijkheid ontstaan. Rolfluïditeit impliceert hybride profielen, rollen en processen, maar wil niet zeggen dat er geen specifieke verantwoordelijkheden zijn in een collectief werk- en maakproces.

Commoning, over het proces om iets gemeen(goed) te maken
Commoning komt van het woord ‘common’ of gemeen. Commoning draait om het proces van het gemeen maken van dingen of goed(eren). Het gemeen maken betekent het goed of de goederen collectief of gemeenschappelijk maken. Een commoning-praktijk wil zich zo horizontaal en collaboratief mogelijk organiseren. Een proces van commoning wordt gedreven door een common goal, waarbij strategieën van aliënatie (i.e. op het geschikte moment tussenkomen en iets nieuws inbrengen) worden ingezet om het werk voort te stuwen. Het proces staat en valt met een collectieve en gedeelde zorg voor het gemeengoed.

Een drempelruimte inbouwen, of een overgang om in het werk te stappen
Door als artistieke praktijk een drempelruimte in te bouwen wordt er een kader of een frame rond het werk (en de ruimere praktijk) gevormd. Het frame is fysiek-ruimtelijk of immaterieel van aard. Het wordt gecreëerd met codes en regels die het (symbolisch) speelveld bepalen en mogelijk maken. Een drempelruimte fungeert als overgang of uitnodiging om in het artistiek werk te kunnen stappen (je kan dus ook steeds kiezen om er niet in te stappen). De codes – die mogelijks ongekend zijn – worden met de nodige zorgvuldigheid toegelicht en verhelderd. De drempelruimte is een voorwaarde om een veilige (vrij)ruimte te kunnen maken en maakt (co-)response-ability voor het werk mogelijk. Het werkt nl. als een appel op het vermogen van de deelnemers en het creëren van gedeelde verantwoordelijkheid.

Deelbaarheid, over deelgenoot worden van het werk en het creëren van een gedeelde resonantieruimte
Deelbaarheid gaat om het publiek maken en presenteren van het werk. Deelbaarheid mogelijk maken betekent het werk delen met een publiek, een context en de ruimere wereld. De regels van het spel (en ruimer het speelveld) worden er opengelegd. Hierdoor kan je deelgenoot worden van het werk en gedeelde verantwoordelijkheid en eigenaarschap dragen of verkrijgen. Deelbaarheid wijst op kennis- en expertisedeling op een horizontale manier, met aandacht voor zowel dry knowledge (theoretische en institutionele kennis) en wet knowledge (i.e. lived knowledge: kennis in onze handen en lichamen). Een pluraliteit aan stemmen, narratieven en perspectieven treden met elkaar in verbinding en bevruchten elkaar. Deelbaarheid brengt betekenisvolle uitwisselingen en interacties op gang. Deze levendige en betekenisvolle uitwisselingen doen een gedeelde resonantieruimte ontstaan.

Een inter-relationeel netwerk,  over verbindingen in een web aan actoren
Om het werk te kunnen doen gronden en te laten resoneren op langere termijn, is het van belang om dit in een inter-relationeel netwerk van (culturele) actoren te plaatsen. Inter-relationele en collectieve betekenisgeving ontstaat door het in te bedden in een netwerk.De artistieke praktijk beweegt in en wordt mogelijk gemaakt door een inter-relationeel netwerk of een rizoom aan actoren. Deze actoren zijn met elkaar verbonden. Ze versterken elkaar door in interactie te treden, en door knopen (of nodes) te vormen van verdiepende uitwisseling en inter- relationele betekenisgeving.Het artistiek werk is de vrucht van een netwerk van actoren die mee het werk maken en beïnvloeden via gesprekken, interacties, samenwerkingen etc. Het werk voedt op zijn beurt ook het netwerk en kan ook in andere netwerken inbreken om het (formele of centraal opererende) cultureel circuit te verrijken met nieuwe symbolentalen en nieuwe artistieke uitingsvormen en praktijken (uit informele culturele circuits).


Het geheugen van het tijdelijke en beweeglijke
Veel participatieve artistieke ingrepen of processen zijn tijdelijk van aard, en op die manier vluchtig en beweeglijk. De esthetische, belichaamde ervaring(en) en betekenisgeving(en) zijn hierdoor begrensd in de tijd en worden moeilijker grijpbaar en deelbaar voor en met niet-deelnemers en betrokkenen. Om deze ervaringen en betekenisgevingen deelbaar te maken en te laten resoneren op langere termijn, worden er verschillende vormen van documenteren en archiveren ingezet. Het archiveren en documenteren van het artistiek werk wordt ingezet om een geheugen aan (belichaamde) herinneringen mogelijk te maken en aan te leggen. Het archief beschouwt men als een werk op zich, en niet louter een uitloper van het artistiek werk. Tevens kan het deel uitmaken van een langdurig artistiek onderzoek. Het archief kan nl. het vervolgtraject en verder werk beïnvloeden en voeden.

Bouwen aan een culturele en artistieke werkplaats
De werkplaats is de ruimte waar kunst- en cultuurwerkers en andere mede-werkers het artistiek werk maken en de praktijk vormgeven. Dit is een fysieke of virtuele plek, die men vormt in en door een ritueel aan gebaren en handelingen. Deze rituele gebaren en handelingen intensiveren het proces van samenwerken en creëren, en brengen een relationeel en collectief (leer)proces op gang. De werkplaats wijst op een bijzondere aandacht voor het (ambachtelijk) maken en het samenwerken hieraan. Zo ontstaat een collaboratorium of een experimentele, co-creatieve ruimte, waar je via verschillende ‘ingangen’ (verschillende invalshoeken, expertise en perspectieven) kan bijdragen en meewerken. Het denken situeert zich in het doen en het doen in het denken. Het materieel bewustzijn, het collectief gecreëerde ritueel en de temporaliteit van het samenwerken in de werkplaats maken verbindingen mogelijk.

Gebaren en handelingen die tot de verbeelding spreken
Het artistiek werk krijgt vorm in symbolische en belichaamde gebaren en handelingen. Participatieve kunstpraktijken zetten nl. participatie in als artistieke strategie. De gebaren en handelingen van de makers, spelers en deelnemers spreken tot de verbeelding en roepen ook verbeelding op, omdat ze deel zijn van een ritueel spel of een rituele praktijk. Deze gebaren en handelingen maken het mogelijk om anders te gaan kijken en nieuwe perspectieven te belichten. Door je belichaamd te bewegen in de ruimte, kan je je verplaatsen in een andere positie of een ander perspectief. Doordat de werkelijkheid voor even tussen haakjes wordt geplaatst, kunnen in de symbolische ruimte nieuwe mogelijkheden en rollen worden uitgetest.

Dialoog en dialogiek
Dialoog uit zich in participatieve kunstpraktijken als artistiek format. Dit wordt in de kunstgeschiedenis en kunstkritiek benoemd als dialogical art works. Dialoog is tevens deel van het artistieke onderzoeksproces. Daarin gaat men in dialoog met verschillende betrokkenen. Daarnaast lokt het werk zelf ook het publiek, de gebruikers en passanten uit om in dialoog te gaan. Het dialogisch werk kan dialogiek mogelijk maken. Het opzet is om een spectrum van mogelijke interpretaties en betekenisgevingen open te leggen. Dialogiek maakt het mogelijk om bewust te worden van de eigen en andere positie-inname(s) en perspectieven.

Machtsverhoudingen bevragen, herverdelen en doorbreken
Machtsverhoudingen bevragen is het startpunt van heel wat participatieve kunstpraktijken. Men werkt dit vaak als visie en handelingskader uit en past dit toe in de eigen werking en ruimere praktijk. Deze (micro-)politieke act kan een tegenvoorbeeld vormen voor de vigerende, ongelijke maatschappelijke structuren. Tegensprekelijkheid inbrengen is hierbij kenmerkend, om dat wat als ‘normaal’, ‘evident’ of ‘algemeen gedragen’ (nl. de consensus of status quo) te bespelen met symbolische middelen. Dit werkt politiserend, impliciet of expliciet. Men thematiseert en belicht zaken die anders onder de radar blijven.

Participatie in het discours en discoursvorming
Veel participatieve kunstpraktijken creëren hun eigen kritisch discours of grijpen bewust in in het kunst- en cultuurkritisch discours. Zo wegen ze op het debat en discours dat rond de eigen praktijk, als rond de ruimere culturele sector en prangende thema’s tot ontwikkeling komt. Denk hierbij aan het debat dat tot ontwikkeling kwam rond de cultuurbesparingen en coronamaatregelen die de culturele sector beïnvloeden. Inbreken in het discours is daarom ook verbonden met het bevragen en mogelijks doorbreken van vigerende machtsverhoudingen in de ruimere samenleving.

Kostbaarheid, het naar waarde schatten van cultureel en artistiek werk
Artistiek werk maken vereist een kader om duurzaam en op lange termijn te kunnen opereren en fair practices mogelijk te maken. Hiertoe is het belangrijk dat cultureel en artistiek werk naar waarde wordt geschat: zowel maatschappelijk als economisch-financieel. Een kader maken is essentieel om deze praktijken te laten bloeien en publiek te kunnen maken. Zo kunnen kostbare zaken zoals artistieke praktijken letterlijk en figuurlijk naar waarde worden geschat.
Zien en gezien worden, licht werpen en zichtbaar maken van wat er zich in de schaduwruimte bevindt
Zien en gezien worden staan centraal in heel wat participatieve kunstpraktijken. Het gaat om het herkennen en erkennen van culturele uitingsvormen of symbolentalen, die culturele groepen en gemeenschappen creëren en delen. Deze artistieke praktijken zetten in op het bespelen van het ‘zien en gezien worden’, en implementeren dit als artistieke en culturele strategie van het werk. Deze kunstpraktijken hebben een metapolitiek karakter. Ze maken zichtbaar wat zich in de schaduwruimten bevindt. Ze luisteren naar en bieden een podium aan wat niet hoorbaar of zichtbaar is. Dit wil niet zeggen dat deze praktijken zich steeds (expliciet) maatschappijkritisch uiten, in die zin dat er artistiek werk wordt gemaakt met expliciete politieke boodschappen. Het politieke wijst in de eerste plaats op het verruimen van betekenis- en interpretatiehorizonten.